Begijnhoven, een succesverhaal

Op 20 januari 2003 overleed de laatste grootjuffrouw (= overste van een begijnhof) Goethals Josepha. Een keerpunt in de geschiedenis van de begijnenbeweging. Haar overlijden riep een tweetal vragen op:
‘hoe kwam er een einde aan een succesverhaal dat meer dan 750 jaren duurde’ en ‘hoe ontstond deze maatschappelijke levensvorm?’ Hierop een afdoend antwoord verschaffen is voorwaar geen sinecure. In het ons toegemeten tijdsbestek van een aantal minuten zullen we ons dan ook beperken tot het aanstippen van enkele elementen die bijdragen tot het antwoord op de tweede vraag.


Peilend naar de elementen die bijgedragen hebben tot het ontstaan van de begijnhoven in de 13de eeuw loont het, ons inziens, de moeite zich te verdiepen in de rol en de plaats van de vrouw op het einde van de 12de eeuw in Europa. Georges Duby, Frans hoogleraar, verrichtte hieromtrent zeer belangrijk opzoekingswerk waarvoor hij zich baseerde op de bestaande teksten uit die periode. Deze teksten maken het niet makkelijk een beeld te vormen van beroemde mannen zoals Franciscus van Assisi en Lodewijk de Heilige, maar voor de vrouwen is dit nog een stuk moeilijker, want daarover werd in die tijd zeer weinig geschreven. Bovendien zijn de meest geschriften die de tand des tijds doorstonden afkomstig van mannen. De adellijke vrouwen in de 12de eeuw konden wel schrijven, ongetwijfeld beter dan de ridders, maar hiervan is zeer weinig bewaard gebleven. De geschiedenis biedt ons bijgevolg slechts één perspectief: van de vrouwen krijgen we slechts iets te zien door de ogen van de mannen, voor het merendeel dan nog.


In de zich volop uitbreidende, door ontwortelde migranten overspoelde steden floreerde de prostitutie. Er waren vooral vrouwen zonder man, die door de hervorming binnen Kerk en burgermaatschappij hun man moesten verlaten omdat hij, leek of priester, zich aan bigamie had schuldig gemaakt. Welke plaats moest aan deze vrouwen worden toegekend in het hervormingsplan voor een volmaakte samenleving om te beletten dat zij schade zouden aanrichten? Het antwoordt op deze vraag was eenduidig: de vrouw moest geleid worden. Daarom moest het meisje bij haar puberteit al bruid worden. Bruid van een meester die haar in bedwang houdt. Of bruid van Christus, ondergebracht in een kloostergemeenschap. De toenmalige opvatting was dat dit de enige manier was om hen onder controle te houden.

In 1176 roept Chrétien de Troyes, in zijn roman ‘Cligès’, de mannen op om zich niet meer te vermaken met andermans vrouwen en niet meer met geweld een maagd te nemen op wie ze hun zinnen hadden gezet.

De Heilige Augustinus komt de vrouw echter ter hulp wanneer hij mijmert over het bijbelvers:
‘Man en vrouw schiep Hij hen’

De bedrieglijke vrouw

Voor de man was de vrouw een voorwerp, zij werd weggeschonken, genomen of afgedankt. Zij maakte deel uit van zijn eigendommen, zijn roerende goederen en werd indien nodig zelfs achter gordijnen verborgen daar het van groot belang was haar aan de blikken van ander mannen te onttrekken. Hun tijd werd ingedeeld door de mannen die haar drie levensfasen toekenden: de maagdelijke staat, staat van echtgenote aan hen onderworpen (hun enige functie bestond erin erfgenamen ter wereld te brengen) en de staat van weduwe (terugkeer naar de onthouding).

Omdat de vrouw in de 12de eeuw zich echter niet meer zomaar in toom liet houden, werd ze als van nature slecht beschouwd en dachten de mannen haar te moeten dresseren, temmen, leiden. Zij voelden zich verantwoordelijk voor het gedrag van de vrouw en moesten daarom de fouten die ze geneigd zou zijn te maken bestraffen. Mannen waren ervan overtuigd dat de vrouw de draagster was van de zonde en de dood: ze liegt en is bedrieglijk, want zwak.

De Heilige Augustinus vraagt dan weer de man te begrijpen dat hij een vrouwelijk element bevat dat God hem heeft gegeven om hem te helpen zich tot het goede te verheffen. Zij, de vrouw, heeft een element van rede. Minder dan de man uiteraard, want in haar is de begeerte overheersend. Dat is een gevaar, maar ook een kracht. Het is de kracht die haar in staat stelt haar man naar behoren te helpen. Dat is wat mannen in de 12de eeuw beetje bij beetje ontdekten en wat in die tijd de kiem vormde voor de ‘emancipatie’ van de vrouw. Steeds meer mannen ontdekten dat de vrouw behalve voorwerp ook mens was en langzaamaan begon de vrouw zich ongemerkt te ontdoen van de boeien waarin de macht van de man haar gekluisterd hield.

De langzame wijziging van het oude algemeen gangbare mannelijke gedragspatroon, leidde mede tot de situatie waarbij meisjes werden afgeschrikt door het huwelijk en hun toevlucht zochten tot het klooster. De kroniek van het klooster van Andres onthult dat de oudste dochter van Arnulf van Guînes de man afwees die men voor haar voorbestemde. In 1218 ontvluchtte ze het ouderlijke huis om haar maagdelijkheid te bewaren en liet zich opsluiten in de abdij van Bourbourg (Ned.: Broekburg of Burburg). Was zij door God geroepen? Voelde ze zich aangetrokken tot het model dat de Kerk voorstelde en waardoor een maagd drie keer zoveel verdiensten kon verwerven als een weduwe en negen keer zoveel als een getrouwde vrouw? Of was het omdat ze de mannen te goed kende. Was zij immers geen getuige geweest van hun dagelijks gedrag, hoe ze zich bedronken op feestavonden en hoe haar grootvader de rokken van de kleine meisjes opstroopte? Zij was ongetwijfeld op de hoogte van het lot dat de samenleving, onder andere, voor edelvrouwen in petto had en wilde - als zoveel anderen van haar generatie - niet trouwen.

Meisjes waren bang voor het huwelijk

Daarnaast waren er ook die jonge vrouwen die een gelijkaardige graad van wantrouwen en afkeer tegenover de mannen hadden ontwikkeld, maar op zoek gingen naar een alternatief voor het kloosterleven omdat zij ervoeren dat ook het instituut Kerk en het kloosterleven onder het alziend oog stonden van mannen. De maatschappelijke visie uitgedragen door Franciscus van Assisi en Dominicus Guzman heeft een aantal onder hen gesterkt in hun zoektocht, met name een leven waarin de totale onafhankelijkheid van de man centraal stond en waarbij men zich toelegde op het mystieke huwelijk. Als bruid van de lijdende mens Jezus Christus, zich dienstbaar stellen aan de zieken, behoeftigen en verstotenen.